Ik dacht eens een héél lang verhaal te schrijven, zo eentje van 180 pagina’s.Wel erg ver ben ik niet gekomen maar ik geef je een klein stukje uit de rompslomp die ik verzonnen heb ..
Hier begin ik en ontplooit zich een verhaal.
Nacht, de aarde ontpopt zich omgekeerd. Alles is omgekeerd daar houdt hij van.
Man omhuld door zwarte schaduwen in de nacht, altijd in de nacht.
Niet dat het negatief is, nacht is inspirerend. Zijn haar lijkt zwart, zijn oogballen, nek, schouders, vingerkootjes. Het is zijn eigen schaduw die hem overdekt samen met de innige stilte die zich meester maakt van de gevels. De innige stilte dringt ook in jezelf door, hij heerst in je oren, zwart en mooi. De man ziet niet bleek hij ziet zwart. We zouden hem geen naam kunnen geven. Soms loer ik weleens naar hem hij ziet er zo immens, zwart, innig en stil uit. Maar de nacht bedriegt meestal dus kan ik niets meer beschrijven. Ik zou zijn gezicht wel eens willen zien. Ik denk dat hij nog jong is, jong genoeg om kindjes van mijn leeftijd te hebben.
Soms volg ik zijn voetstappen met mijn oren ze zijn vrij uniek, hol een beetje melodisch. Er zitten wel valse noten in, niet veel maar ze zijn er wel. Zouden voetstappen je karakter accentueren? Soms als ik ze hoor probeer ik ze na te doen, ik denk dat ik er verliefd op ben, tot de valse noten verschijnen natuurlijk. Eens zal ik naar buitengaan en dan zal ik hem een verhaal vertellen over ik. Ik die verliefd is op zijn voetgetrappel. Ik vind het soms melodisch zal ik zeggen. Ik ga nog veel meer zeggen maar dat kan ik nu nog niet verzinnen. De man loopt voor zich uit, hij denkt, denk ik. Hij heeft een acrobatisch lichaam maar dat merk je niet meteen op, pas na enkele dagen. Ik vind dat boeiend.
Ik weet dat ik beter zou slapen al die nachten dat ik stiekem gluur. Maar het is zo fijn, ook wel spannend. Zou hij het weten dat ik gluur? Wat zou ik graag ook eens met hem converseren, maar ik durf niet. Misschien is hij gevaarlijk of dronken of doen mensen dat niet in het echte leven? Is het alleen maar vertelsel om mij in huis te houden? Eigenlijk denk ik dat, stiekem. Toch durf ik niet naar buiten. En dan voel ik me zo opgesloten telkens als ik naar de man kijk. Zou hij koffie lusten? Zoals mijn eigen papa die drinkt zoveel koffie dat op een dag zijn darmen eens zullen openbarsten oftewel hoop ik dat gewoon. De man zal wel koffie lusten maar hij nipt, hij is voorzichtig anders zou hij een andere stap hebben. Ik val niet verliefd op koffieverslaafde stappen.
Voorzichtig bewerkt hij het donker met zijn lichaam, nog nooit heb ik iemand anders zo wonderlijk het donker zien bewerken. Het duurt altijd een hele poos voor hij weer verdwijnt uit de straat.
Terwijl de wereld zich sust met fantasie-werelden wachtend op de dag aanschouw ik nacht. Ze noemen me weleens nachtcriticus, ik ben trots op deze benaming en schrij vol genot door elke straat. Deze straat volgende, en herhaal mijn pad soms iets te veel in mijn leven. De dagelijkse routine van ieder mens. Zoals iedereen er wel eentje kan bedenken te beginnen bij het ontbijt. Ik hou van ontbijten daarna ga ik slapen. Zachtgekookt eitje met soldaatjes, soms pannenkoeken, vers geperst sap, een boterham, kopje melk of koffie, maar voorzichtjes anders ontploffen je darmen. Ik nip en dat doet deugt.
Mijn dagelijkse job houd niet veel meer in dan de nacht te aanschouwen en hem te bedanken om zijn bestaan. Terwijl ga ik naar mijn favoriete stekje drie straten verder van mijn huis.
Daar bedrijf ik de nacht en werk. Door te werken kan ik steeds koffie en eitjes kopen om de degusteren in de morgen, belangrijk element.
Buiten de nacht en mijn ontbijt is er niets zinnig over het leven te zeggen ik leef ervoor. Voor de nacht ik zou passages honderdduizenden kunnen bekladden over mijn liefde aan de nacht mijn enige liefde, mijn geliefde, beminde, beminnelijke zij, mijn adoratie, alleen, van mij, zij bemint of ik verbeeld het me door mijn waanzinnige liefde.
Soms denk ik dat ik gek ben of waanzinnig of is dat hetzelfde? Ik geniet niet van die gedachte. Dan wil ik iemand tegenkomen in mijn leven, iemand waar ik mee kan converseren. Ooit kwam ik een meneer tegen dag man, dag meneer, meer niet.
Ik mis, ik verlang naar het uitspreken van woorden. Al was het maar eventjes maar iedereen slaapt wanneer ik mij in de wereld waag iedereen droomt over de volgende ochtend, het ontbijt, de middag, avond, slaap. Niemand houdt nog tijd over om wakker te blijven in de nacht. Zou er dan niemand wakker zijn terwijl ik door de straat struin? Zou er nog nooit iemand mij gezien hebben en zich afvragen waar ik heen ging? Ik ben niet boeiend maar dat weet niemand, zelfs dat weet niemand. Misschien moet ik me daar maar mee sussen en van het idee genieten. De hemel word rood, roze, licht blauw, ik drink koffie gecombineerd met biscuit – confituur en val inslaap. Ik droom weg over mijn unieke nacht. De mooiste nacht die ik ooit gezien heb elke keer opnieuw in mijn droom terwijl de zon hoog staat en er bedrijvigheid heerst op straat. Terwijl er verdriet en lijden heerst. Terwijl men elkaar kust, lacht en koffie degusteerd. Dan droom ik van de nacht en geniet van het voorbij suizende geluid van auto’s fietsers, lachende mensen, honden en de vogels die vind ik het mooist. Ze krijgen van mij een glimlach, gratuit. Tuitititituitititituituituitititituitititi———————
En zo passeren ook de dromen in mijn leven als korte kinderprogramma’s op tv.
Ik klaag niet meer want ik hou ervan.
Zondag morgen, ik volg met mijn ogen de zonsopgang. Enkel zondag, opnieuw.
Er passeert een meisje ze gaat om melk, elke zondag, opnieuw. Ik teken haar gezicht in de lucht met mijn ogen, terwijl lacht ze. Elke zondag.
Opnieuw. Niemand vraagt zich ooit af waarom, alles gaat, opnieuw, niet nieuw. Zelfs ik heb me nooit afgevraagd waarom opnieuw? We spreken niet over ellende maar ook niet over geluk, we spreken over blij, blijheid om herkenning om opnieuw. We kennen geen emoties maar we zeggen van wel, we geloven van wel en we weten niet beter. Ik ga terug slapen en geniet.
Maandag avond, maandag nacht ik slenter langzaam, doelbewust. Ik zie in een mooi herenhuis, de 3e verdieping nog een zacht lichtje branden. Daar zit nog een mensje die niet slaapt. Ik blijf even staan en staar. Ik observeer het zacht roos getinte gordijn het bewoog eventjes. Dan floept het licht uit. Het mens zal nu wel gaan slapen zijn? Zacht hoor ik de voordeur kraken van het mooie herenhuis. Hij heeft 6 verdiepingen elk met anders gekleurde bloemen aan het balkon. Hoewel je dat niet zo goed kan onderscheiden in de nacht. Ik hoor trippelende voetstappen. Er is iemand buiten. Het zijn zachte stapjes het moet wel van een meisje zijn. Vanachter de struiken verschijnt een tenger meisje, het is bitter koud en zij staat daar enkel in haar zachte jurk. Ze rilt niet, ze ziet er dapper uit. Alsof ze een lang levensverhaal met zich mee draagt. Ze staat kaarsrecht en kijkt met zwarte ogen naar me. Ze staart naar me. Ik verbeeld me dat ze neuriet dat zou haar staan. Nu sieren enkel haar tengere armen haar die ze losjes heen en weer beweegt, terwijl stapt ze naar me. Ze staat voor me, ik voel warmte. Ze voelt lief en vraagt me, alsof fruit haar mond ontglipt of ze mee mag wandelen. Ze verteld me niet waarheen ze wil. Ze wil ook niet weten waarheen. Ze wil gewoon meewandelen. Een zacht pad volgen zonder na te denken. In eenvoud de wereld ontdekken.
Zo zei het, wij vergezellen elkaar zij aan zij in een vloed van warmte. We lieven elkaar dat weet ik, ik raak haar niet aan maar ik weet dat ze zacht voelt. Ik passeer de rest zoals gewoonlijk, meer niet.
We nemen elkaar mee naar het parkje in de nacht. En de hele nacht verteld ze me over een uurwerkmaker. Ze zou zelf eentje willen zijn. Uurwerken symboliseren alles zonder uur waren wij niet. Dan stond alles stil. Tijd dat is het, ik wil leren aan de tijd te prutsen. Ik heb de hele nacht gezwegen terwijl zij vertelde. Ze vroeg zich niet af waarom. Ik vond het wonderlijk. Ik ging niet werken, toch niet vannacht. Morgen komt wel en na morgen komt nog. Ik bracht haar terug naar haar 3e verdieping. Ze moest ook nog andere dingen doen. Maar mocht nooit vertellen. In de dag moet je veel maar in de nacht doe je wat je wil. Ze zei dat ze de volgende keer wel naar mij wou luisteren. Ze zei dat ze benieuwd was. Ze zei dat ze soms wel eens naar buiten keek en mij door de straten zag struinen. Ze zei dat ze dan telkens dacht aan mij, ze vraagt zich af wie ik ben. Maar ze weet het nog steeds niet. Ik ben de moeite niet waard. Het is veel leuker naar haar te luisteren. Ja ik vind ze wonderlijk en leeftijdsloos. Ze verteld niets over haar leven alleen over haar innerlijk. Ze heeft een mooi innerlijk, het stroomt en gloeid. Daarom dat ze het nooit kou kan hebben denk ik. Ze zou horlogemaker moeten worden dat zou haar sieren. Misschien siert het haar al. Ze is leeftijdsloos dat zei ik je al. Ze is er zo eentje waarvan je zou denken dat ze enkel praat wanneer ze vermoed dat niemand luistert. Eentje die enkel water en thee drinkt. Eentje die zacht een mandarijntje degusteerd. Ja dat denkt ik, ik ga het haar de volgende keer vragen of ze soms mandarijntjes degusteerd, wel zachtjes dat past.
Maar elke nacht waneer ik rondstruin en verlang haar warmte te weerzien, weerzie ik niet. Ik heb nooit iets weerzien wat mooi was. Al het moois al die wonderlijkheid verrijst. Ze gaat op in de massa, expres. Ze wil maar enkel maal gezien worden maar wordt nooit vergeten. Ze bekomt legendes. Ik denk dat ze dat wou ze hoopte dat misschien dat ze naverteld zou worden. Dat doe ik ook ik vertel haar ik geef haar wonderlijkheid af aan het verhaal zo bestaat ze voort maar ik heb niemand om het aan te vertellen. Ik denk dat het verhaal er wel blij me is, nu straalt het.